Zo voelt het dus

Ik klik de schoenen uit de pendalen. Zet de fiets nog tegen de schuur en plof daarna vermoeid neer in de tuin. Vermoeid? Ik ben kapot. Wat fietsen die gasten hard.

Ik en mijn racefiets worden steeds betere maatjes. Ik word fanatieker. Ik daag mezelf uit in het heuvellandschap dat de Utrechtse Heuvelrug heet, met als uitschieter de Amerongse Berg. Ervaren wielrenners liggen er niet meer wakker van. Maar ik voel alles kraken als ik daar naar boven ga. Het is mijn Alpe d’Huez, Mont Ventoux en Col du Galibier in één.

Omdat fietsen nou eenmaal leuker schijnt te zijn als je het met anderen doet, ben ik op zoek gegaan naar een fietsclubje. Gewoon om een keertje te kijken. Bij de club waar ik belandde, wordt er gefietst in drie groepen. De A rijders gaan het hardst, en de C rijders kachelen op een rustig tempootje. Waarom weet ik achteraf ook niet meer precies, maar ik ging mee met de A rijders.

Op mijn fiets met versnellingen op het frame en een retro fietstasje aan het zadel, ben ik een ware attractie tussen de andere wielrenners. ‘Kijk, dat zijn de echte atleten’, hoor ik achter mij. Ha, die kan ik in mijn zak steken. ‘Zorg dat je uit de wind blijft, jochie!’

Ondertussen wordt vooraan het tempo opgevoerd. En nog eens. En nog eens. Vlug kijk ik met een halve blik op mijn kilometerteller: 43.2. Wat is dit gaaf zeg. Ik heb geen idee waar we zijn. Het enige waar ik oog voor heb, is het wiel dat ik moet volgen.

‘Tegen! Auto! Tegen!’ De termen zijn snel geleerd. Verdomme, weer een versnelling. Op de pedalen dan maar. Een middelvinger van een tegenligger richting ons ‘peloton’. Dit is onverantwoord, gekkenwerk. We vormen een waaier over de hele breedte van de weg. Niet moeilijk over doen nu, Joeri. Dit wilde je toch zo graag?

De eerste heuvels worden genomen alsof het niets is. Maar ik volg nog. Trots ontvang ik een complimentje. De renner voor me laat een gaatje. Ja vriend, ik kan het niet dichtrijden, ik ben kapot. Hij knikt met zijn hoofd en gebaart. Ok, nog één keertje alles eruit dan. Straks denken ze nog dat ik weiger om het zware werk te doen. Hebben ze het straks op het terras over mij als: ‘die nieuwe die even kwam profiteren.’

Hé, dit komt me bekend voor. Fack, de Amerongse Berg komt er bijna aan. Bijten. Bijten. En dan is dit nog vlak. Arch, ik trek dit niet meer. Weer een scherpe bocht. Er valt een gat. Dan houden ze vooraan even de benen stil. Heerlijk.

Aan de voet van de klim kennen ze geen mededogen meer. De mannen worden gescheiden van de jongens. De fiets met fietstasje legt het hier definitief af tegen de snelle, strakke racemonsters. Mijn versnellingen kunnen niet op tegen hun vlotte schakelwerk.

10, 20, 30 meter. Eigen tempo rijden nu. Misschien kan je in de afdaling nog aanhaken. Wat zei die jongen bij de verzamelplek nou? ‘Na de Amerongse Berg begint het pas echt, dan willen de snelle mannen iedereen eraf rijden op de dijk.’ Zoiets. Jezus. Vergeet het maar. Die zie je niet meer terug.

Met nauwelijks 30 kilometer per uur jakker ik naar huis. Aan het bijkomen van de ervaring en met de adrenaline nog in mijn lijf. Eindelijk tijd om mijn banaantje te eten.

Dit is wielrennen. Zo moet het voelen. Volgende week ben ik er weer.

 

Deze column is ook gepubliceerd op The Post Online.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s